Ouderschapskennis
 Ouderschapskennis
 Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze digitale nieuwsbrief en blijf op de hoogte!


[ advertenties ]

Recensie 'Meer dan opvoeden. Perspectieven op het werken met ouders.'

Redactie: Carolien Gravesteijn & Monica Aartsma (2015) | Bussum: Uitgeverij Coutinho | ISBN 9789046904589 | 296 pagina’s | €34,50

Bij het boek hoort een website met studiemateriaal: www.coutinho.nl/meerdanopvoeden

‘’Ouders zijn meer dan opvoeders’, schrijven Gravesteijn en Aartsma in hun inleiding op deze bundel waar verschillende, ook gerenommeerde  auteurs een bijdrage aan hebben geleverd. Ouders ontwikkelen zich in ouderschap maar ook in werk, in relatie, in hun vrije tijd en in hun sociaal netwerk. Ouderschap maakt je kwetsbaar in een tijdsgewricht waarin toch al kritisch naar het opvoederschap wordt gekeken. ‘’Meer dan opvoeden’’ pretendeert  niet alleen het ouderschap in een hedendaags breed perspectief te plaatsen, men wil sociaal werkers en pedagogen ook handreikingen meegeven hoe diezelfde ouders ondersteuning geboden kan worden. Is het boek in deze opzet geslaagd ?

Waar de verzorgingsstaat overgaat in een participatiesamenleving komt het accent te liggen op meer zelfredzaamheid van de burger. De ouderbegeleider zal meer gericht zijn op samenwerking en zelfredzaamheid. Meer dan voorheen zal die de eigen kracht van de ouder centraal stellen. Zijn positie wordt die van een ‘’kritische vriend’’ met een coachende houding, aldus Linda Burgerhout-van der Zwaan in haar openingsbijdrage.

Micha de Winter wijst op het belang van maatschappelijk opvoeden. Waar opvoeden niet langer een puur individuele aangelegenheid is, maar meer een maatschappelijke zaak, is het ook logisch dat de opvoedingsverantwoordelijkheid gedeeld wordt. Jurist Goos Cardol valt hem daarin bij in zijn bijdrage over de veranderde rol van ouders in de jeugdzorg. Daarin stelt hij dat de intentie van de wetgever is om ouders eerst in de gelegenheid te stellen om zelf een oplossing te bedenken. Tegelijkertijd is er het adagium beter te vroeg dan te laat ingrijpen. Of het beroep op de eigenkracht van ouders en gezinnen leidt tot een afnemende bemoeienis van de overheid is nog maar de vraag. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat met het beroep op de eigen kracht de vraag naar professionele steun zal afnemen.

In haar bijdrage over empowerment en maatschappelijk opvoeden wijst Tine van Regenmortel op het gevaar dat met een sterker accent op de eigen verantwoordelijkheid de ouders ook eerder de schuld toegeschoven krijgen. Ook bij empowerment moet het gaan om  gedeelde verantwoordelijkheid. Net als Burgerhout noemt Regenmortel  de hulpverlener een professionele vriend, die de afstand tot zijn cliënten goed kan doseren en zich meerzijdig betrokken opstelt. Empowerende zorg behoeft kritische, reflectieve professionals met een onderzoekende houding die willen verbeteren en innoveren op basis van wetenschappelijke inzichten.

In ‘’verwen ze niet zo’’, schetst Janneke Wubs  aan de hand van een analyse van opvoedingsboeken, de verschuiving in opvoedingsdoelen  vanaf de 17e eeuw tot heden. Van de 17e eeuwse deugdzame en vrome burger, naar de hedendaagse sociaal vaardige en succesvolle burger. Dat laatste in een samenleving waarin ouders en volwassenen zich ook in toenemende mate ergeren aan andermans kinderen: te verwend, a-sociaal, ongehoorzaam. Een kritiek die van alle tijden lijkt te zijn getuige de verzuchting van een 17e eeuwse schoolmeester uit Schagen: ‘’Die ouders gevense hedensdaechs al haar willekens, men straft haar niet, men spaert haer billekens”.  Waar die kritiek op verwennen tot aan de 2e wereldoorlog nog voortkwam uit het idee dat de samenleving daar last van ging ondervinden-die samenleving had immers vooral behoefte aan flinke mannen en zichzelf wegcijferende vrouwen- is de achterliggende gedachte aan het einde van de twintigste eeuw dat een verwend kind niet de vaardigheden meekrijgt om zich gemakkelijk in die samenleving te bewegen. 

Carolien Gravesteijn, lector Ouderschap en Ouderbegeleiding aan de hogeschool Leiden, geeft in haar bijdrage een schets van ouderschap in ontwikkeling. Ouderschap, aldus Gravesteijn, wordt teveel vereenzelvigd met opvoeden. Ouder zijn is meer. Opvoeden kun je overnemen, ouderschap niet. Er zijn immers slechts 2 ouders van een kind, maar er kunnen meerdere opvoeders zijn. Met dat strikte onderscheid tussen (biologisch)  ouderschap en opvoederschap stelt Gravesteijn impliciet dat je geen ouder kunt zijn van andermans kind. Dat doet dan weer geen recht aan de opvattingen van Van der Pas e.a die ouderschap loskoppelen van bloedverwantschap. Evenmin doet het recht aan de opvatting dat pleegouders, stiefouders e.a. ook een ouderrol  kunnen innemen. Dat even terzijde, want in haar verdere betoog put de auteur vooral uit recente wetenschappelijke inzichten inzake de vraag welke factoren het welzijn van ouders bepalen. In de praktijk blijkt het te gaan om zingeving, positieve emoties en het vervullen van sociale rollen.  Het welzijn van ouders wordt vooral aangetast door financiële problemen, relatieproblemen en sociale isolatie. Het ouderschap brengt ook een herdefinitie van de partnerrelatie met zich mee. Uit onderzoek blijkt de geboorte van een kind nogal eens gepaard te gaan met afname van de tevredenheid over de partnerrelatie. Jonge ouders behoeven vooral de steun van familie en vrienden, zonder dat die de opvoeding over gaan nemen. Ouders blijken naast de behoefte  aan ondersteuning bij het aanleren van opvoedingsvaardigheden vooral steun te willen bij het omgaan met emoties en stress, zeg maar ondersteuning bij levensvaardigheden. Dan gaat het om thema’s als autoriteit versus loslaten, de combinatie van werk en zorg, tijd voor jezelf versus tijd voor het gezin. Oudergericht werken, aldus Gravesteijn, betekent dat de ouderbegeleider weet heeft van factoren die het ouderlijk welzijn bepalen. De auteur geeft de lezer daartoe inzichten vanuit recent wetenschappelijk onderzoek. Helaas levert dat een veelvoud aan verwijzingen op die de leesbaarheid  van haar bijdrage niet ten goede komt.

In ‘bondgenoten voor ouders’ gaan Lianne Bonants en Maartje van Amsterdam op zoek naar wat ouders en kinderen ondersteunt en beschermt. Ouders voeden de toekomstige burgers op, maar de samenleving lijkt hen een tegenstrijdige boodschap te geven. Enerzijds zijn ouders primair verantwoordelijk, aan de andere kant moeten ze de richtlijnen van goed ouderschap volgen. Om die reden worden bijvoorbeeld consultatiebureaus vaak als bemoeizuchtig in plaats van ondersteunend ervaren. In de documentaire ‘’Rauw’’ ondervond de moeder veel kritiek omwille van haar opvattingen over het eetpatroon van haar zoon. Toeschouwers vergeten vaak dat ook achter niet functionele vormen van opvoedgedrag een besef van verantwoordelijk-zijn schuilgaat. Waar ouderschap meer is dan opvoeden, is ouderbegeleiding meer dan opvoedondersteuning, zo betogen Sabine Vermeire & Luc van den Berge in hun bijdrage. Ouders in nood presenteren de ouderbegeleider ook hun falend ouderschap. Vanuit een goede samenwerkingsrelatie is het zaak dat de ouderbegeleider de van problemen verzadigde verhalen tracht om te buigen tot meer coherente verhalen die dan meer hoop bieden. Ouders moeten kunnen ervaren dat zij van betekenis zijn voor hun kinderen én voor de gemeenschap waar ze deel van uitmaken.


Inge Anthonijsz schrijft over beter ouderschap door hulp bij de partnerrelatie. Een positieve partnerrelatie werkt positief op het welbevinden van kinderen. Bij vechtscheidingen gaat het uiteraard om een negatief welbevinden. Doordat de focus van de schrijfster voornamelijk is gericht op het kindperspectief, ontaardt haar bijdrage in een wat dissonant hoofdstuk dat blijft steken in een opsomming van wat scheiding aan stress kan opleveren bij kinderen, welk hulpaanbod er is en welke kennis. René Diekstra, terug aan het front van invloedrijke gedragswetenschappers, stelt de vraag of opvoeden geleerd moet worden. De helft van de Nederlandse bevolking wijst zoiets als een ouderlijke leerplicht af. Men denkt met liefde al een heel end te komen, naast de inschatting dat men al over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikt. In de praktijk blijkt de kennis over opvoeding  toch nog te wensen over te laten. Overigens niet alleen bij ouders, maar ook bij professionals. Diekstra  kan hierin worden gerustgesteld  door Tom van Yperen. Deze stelt in zijn bijdrage over ‘’effectieve interventies’’ – uiteraard, want daar is zijn naam voor eeuwig mee verbonden-aan de hand van onderzoeksresultaten dat  de opvoeding in Nederland van  goede kwaliteit is en het welbevinden van de Hollandse jeugd groot. De prevalentie van probleemgedrag onder jongeren neemt niet toe. De consumptie van jeugdzorg en speciaal onderwijs wel. Van Yperen en zijn co-auteurs wijten dat vooral aan de opvoedingsonzekerheid bij ouders.

Voor ouders wordt het steeds makkelijker om informatie te vergaren over opvoeding via tablet, laptop en smartphone. Online trainingen en peer group support blijken effectief te zijn om de opvoedingsvaardigheden te verbeteren, aldus Christa Nieuwboer in haar bijdrage over online opvoedingsondersteuning. Naarmate kinderen ouder worden, neemt de invloed van ouders af. Dat neemt niet weg dat ouders in puberteit en adolescentie belangrijk blijven met name waar het de emotionele ondersteuning betreft. Teveel controle en toezicht pakt in deze fase doorgaans verkeerd uit. Een warme ouder-kind relatie werkt wel preventief. De breed gedragen veronderstelling dat de hedendaagse ouder te weinig toezicht houdt, blijkt ongegrond, zo betoogt Loes Keijsers. Haar collega Martine Noordegraaf bestudeerde het ouderschap na een uithuisplaatsing. Een thema waar relatief weinig wetenschappelijke literatuur over te vinden is. Een uithuisplaatsing heeft een normatieve lading. Het is een uitspraak over wat goed genoeg ouderschap behelst. Overigens struikelt Noordegraaf her en der over haar opdracht. Zo heeft ze het over’’verlies van ouderschap’’ bij een uithuisplaatsing, daar waar het natuurlijk ‘’verlies van opvoederschap’’ moet zijn. Haar invalshoek is sterk residentieel getint. Pleegzorg, met name de langdurige variant, zou een interessanter studieobject zijn geweest, immers daar kruisen 2 vormen van ouderschap, het biologische en niet-biologische, elkaar.

De laatste 2 hoofdstukken behandelen het ouderschap in een multi-etnische samenleving. Trees Pels stelt de vraag wat het opvoeden in de polariteit tussen  oude en nieuwe wereld betekent voor opvoeders in gezinnen met een migratieachtergrond.  Zij pleit er voor dat deze gezinnen de kans krijgen om een dubbele loyaliteit te ontwikkelen zowel naar de gemeenschap van herkomst als naar de nieuwe omgeving. In de beroepsopleiding zou meer aandacht besteed mogen worden aan diversiteitsgevoelig werken. Monica Aartsma sluit de bundel af met het thema ‘’waarden en betekenissen in ouderschap’’. Opvoedingsgedrag van ouders wordt bepaald door wat zij waarde- en betekenisvol vinden. Centraal in haar bijdrage staat het gebruik van metaforen, omdat die vaak, meer dan woorden, behulpzaam kunnen zijn bij het verwoorden van gevoeligheden en het boven tafel krijgen van gemeenschappelijke thema’s. Een intrigerende bijdrage die echter door het  korset  van een hoofdstuk veel vergt van het geduld en het inlevingsvermogen van de lezer. De opzet van haar verhaal behoeft toelichting.

‘’Meer dan opvoeden’’ biedt een breed palet aan hedendaagse thema’s  die gerelateerd zijn aan ouderschap. Voor ouderbegeleiders en studenten social work is het boek bruikbaar als inspiratiebron om hun vak verder vorm en inhoud te geven. De bijbehorende website met vragen, praktijkinformatie en opdrachten daagt studenten uit om zich in hun (toekomstige) vak te verdiepen. Alhoewel de redactie in de inleiding op deze bundel benadrukt dat ouderschap meer is dan opvoederschap, viel mij op dat relatief veel bijdragen juist opvoederschap als invalshoek nemen. In dit brede palet van perspectieven mis ik een bijdrage waarin het spanningsveld tussen het belang van het kind versus het belang van de ouder als invalshoek wordt genomen. Zeg maar, de normatieve grondslag op basis waarvan we als samenleving menen te moeten interveniëren in gezinnen. Recente voorbeelden genoeg: het zeilmeisje, Rauw,  te dikke kinderen, de ondertoezichtstelling van het nog ongeboren kind. Een bundel met bijdragen van verschillende auteurs heeft altijd het risico  van overlap en gebrek aan samenhang. ‘’Meer dan opvoeden’’ heeft hier ook tekenen van. Niettemin een aanrader voor iedereen met interesse  in ouderschap en een hunker naar kennis daarover.

Gé Haans








Reacties op dit artikel:


- Nog geen reacties

Uw reactie, mening:
Vul het volgende veld niet in:
Naam:
Email:
Bericht:
Om spam tegen te gaan dient u het onderstaande hokje aan te vinken en moet u mogelijk een vraag beantwoorden.

Uw reactie is niet anoniem. Uw IP adres zal worden opgeslagen.